24 januari 1990

Leerling

Iedere ochtend gaat hij trouw naar school,
door wind en wind, van kilometers ver
-moe heeft z’n brood gesmeerd, hem uitgezwaaid-.
Hij zet z’n fiets weg en haast zich gedwee
naar het lokaal. Gaat zitten. Dan ‘t gebed:

Dat ze vandaag maar weer kracht-van-omhoog
ontvangen mogen en hun werk met ijver
volbrengen. Amen. Dan begint de les.

Zo gaat dat alle dagen door. Hij leert
en leert en leert en hij doet z’n best.
En later zal hij veel verdienen en vanuit
de hoogte neerzien op het ouderlijk nest.

Anton Korteweg

Dag Dagkalender poézie…

De eerste keer dat ik een gedicht uit de Dagkalender poezie 1990 op mijn weblog zette was het 17 januari 2005. Dat is inmiddels ruim een jaar geleden en aangezien ook het jaar 1990 365 dagen telde zijn alle dagen, met hun gedicht, nu voorbijgekomen. Er zit niets anders op dan deze categorie af te sluiten. Of toch?

Ook is het nu wel tijd te onthullen dat ik overigens helemaal niet zo’n gedichtenlezer ben. Veel meer dan een bundel of vijf zul je in mijn boekenkast niet aantreffen. Toch mag ook niet de indruk ontstaan dat ik de gedichten die Hans Warren destijds verzamelde alleen heb gelezen met het oogmerk vulsel voor mijn weblog te vinden. Zon erg is het nu ook weer niet.

Om zo af en toe nog eens een gedicht te kunnen meenemen, zou ik mijn toevlucht moeten nemen tot die vijf a zes bundels, die nu al opgewonden raken bij het idee dat zij nu eindelijk eens van de plank gehaald zullen worden. En ook zijn er vast nog wel gedichten in de Dagkalender die ten onrechte niet verschenen zijn. Zo lees ik vandaag het gedicht Leerling van Anton Korteweg. En waarom zou ik je dat onthouden?

4 januari 1990

Mijn liefste wil bij mij niet
Wonen, mijn liefste wil niet
Zijn met mij. Een treintje van
Liguster tuft door tuinen
En in weerspiegeling zwieren als
Wissers wilgetakken over
Ruiten van auto’s die ook zelf
Stilstaan. Voor het raam
Strijk ik mijn dichtershemd van
Zij. Mijn liefste wil niet zijn

Bij mij. Badkamers, binnensten
Van huizen. Onder water geef
Ik mij over aan het piano-
Gerucht van buren en het
Murmelen van de buizen.
Haar gezicht is gesluierd
Met haar als met wolken, met
Fladderend strooisel van ogen,
Stuifmeel van sterren, vrolijke
Oorlog. Het is nieuwjaar.

Elly de Waard

1 januari 1990

Nieuwjaar

De nieuwjaarsklokken luiden door de radio.
Stortregen valt. De dag is onbeschrijflijk goor.
Men is alleen gelaten en aanvaardt het zo.
Men vraagt zich zelfs niet af: waarom is ‘t en waardoor?

Tegen het leven is toch immers niets te doen;
De wereld heeft geen oorden meer om heen te gaan,
En ‘t hart wordt niet, gelijk de landen, jaarlijks groen:
Er is geen vlucht uit een voorgoed mislukt bestaan.

J.C. Bloem

18 december 1990

Erwtjes

Toen ze een meisje was van zeventien
moest ze een hele middag erwtjes doppen
op het balkon. Ze wou de teil omschoppen.
Ze was heel woest. Ze kon geen erwt meer zien.

Toen ging ze maar wat dromen, van geluk,
en dat geluk had niets van doen met erwten
maar met de Liefde en de Grote Verte.
Dat dromen hielp. Het scheelde heus een stuk.

En dat is meer dan vijftig jaar terug.
Ze is nu zeventig en heel erg fit
en altijd als ze ‘s middags even zit,
mijmert ze, met een kussen in de rug,

over geluk enzo… een beetje warrig,
maar het heeft niets te maken met de Verte
en met Liefde ook niet. Wel met erwten,
die komen altijd weer terug, halsstarrig.

Ach ja, zegt ze. Ik kan mezelf nog zien,
daar in mijn moeders huis op het balkon,
bezig met erwtjes doppen in de zon.
Dat was geluk. Toen was ik zeventien.

Annie M.G. Schmidt

13 december 1990

Huis

Het huis staat met zijn grauwe muren
kouwelijk in de decemberregen
en leunt met zijn figuur verlegen
op zijn smallere, lichtere buren.

De winkel onderin is al jaren gesloten,
geen frxc3xaale kleren meer in felle kleuren,
maar echtscheiding, man sloeg vrouw dood en
de familie is verdeeld over verkopen of verhuren.

Peter Verstegen

6 december 1990

Tekst voor een wijnkaart

O, drank, je hebt zoveel verpest.
Toch ben je in mijn dorstig leven
altijd die ene hoer gebleven,
die mij het diepste heeft gelest,

want hoe je me ook hebt geflest
door altijd (en ik kon het weten)
al je beloften te vergeten,
als je weer klaar lag voor de rest,

en hoe je m’ ook hebt uitgemest
door alles wat je van me nam,
ik leefde als ik bij je kwam,
bij jou alleen. Dat weet je best.

Je grokstem en je valse streken,
de stomme platheid van je spreken
en van je bed de wulpse stank,

‘t was niets, als ik maar weg mocht zinken
in jou om steeds weer in te drinken
jouw zoete leugen – bitt’re drank.

S. Carmiggelt