Een gedicht / M. Vasalis

Is het vandaag of gisteren, vraagt mijn moeder,
bladstil, gewichtloos drijvend op haar witte bed.
Altijd vandaag, zeg ik. Ze glimlacht vaag
en zegt: zijn we in Roden of Den Haag?
Wat later: kindje ik word veel te oud.
Ik troost haar, dierbare sneeuwwitte astronaut
zo ver al van de aarde weggedreven,
zo moedig uitgestapt en in de ruimte zwevend
zonder bestek en her en der.
Zij zoekt – het is een s.o.s. –
haar herkomst en haar zijn als kind
en niemand niemand, die haar vindt
zoals zij was. Haar franse les
herhaalt zij: chou, croup, trou, clou, pou, oxf9,
die eerste juffrouw, weet je wel
die valse oude mademoiselle
hoe heet ze nou. Ik ben zo moe.

Had ik je maar als kind gekend,
die nu mijn kind en moeder bent.

 

De slaper in het dal – Arthur Rimbaud

Een kuil vol groen waar een rivier door zingt
die ’t kruid met flarden zilver onbesuisd
bespat; vanaf het fier gebergte blinkt
de zon: een klein dal dat van stralen bruist.

Een jong soldaat, blootshoofds, met open mond,
de nek in blauwe kers gedompeld, ligt
in openlucht te slapen op de grond
bleek in zijn groene bed vol plenzend licht.

Zijn voeten in het lis, zo slaapt hij. Zwakjes
lachend zoals een ziek kind, soest hij zachtjes:
Natuur, wieg hem vol warmte: kou heeft hij.

De geuren doen zijn neusvleugels niet trillen;
hij slaapt in de zon, één hand op zijn stille
borst, rechts twee rode gaten in de zij.

November


NOVEMBER

Het regent en het is november:
Weer keert het najaar en belaagt
Het hart, dat droef, maar steeds gewender,
Zijn heimelijke pijnen draagt.
En in de kamer, waar gelaten
Het daaglijks leven wordt verricht,
Schijnt uit de troosteloze straten
Een ongekleurd namiddaglicht.
De jaren gaan zoals zij gingen,
Er is allengs geen onderscheid
Meer tussen dove erinneringen
En wat geleefd wordt en verbeid.
Verloren zijn de prille wegen
Om te ontkomen aan den tijd;
Altijd november, altijd regen,
altijd dit lege hart, altijd.

J.C. Bloem
uit: Media Vita, 1931

De laatste dagen

De laatste dagen

Een blauwe schotel bleef, met enkle vruchten,
vannacht in het prieel op tafel staan,
en daarop schijnt, door winde en wilde wingerd,
een laatste straal van de verdoofde maan.

Geen wind beweegt de donkre notelaren,
rond zonnebloem en volle dahlia
gonst geen insekt: ’t is de volmaakte vrede
die eeuwig lijkt, als kwam niets daarna.

O laatste, warme dagen van september,
de weemoed van uw licht gloeit ook in mij,
ik laat, als gij, mij met een glimlach glijden
naar dood en vrede, beiden zo nabij.

Jan van Nijlen

Arme maaiersvrouw

Hoor haar zingen, arme maaiersvrouw,
Ze waant zich gelukkig, of niet;
Ze zingt, en maait, en haar lied,
Vol blijde en naamloze rouw,

Golft gelijk een vogelzang
Door d’als een drempel schone lucht,
Met buigingen, van toon en klank,
In wat zij zingt, zacht als een zucht.

Haar horen maakt blij en maakt triest,
In haar stem is het werk en de velden,
En ze zingt als had ze voor haar lied
Meer redenen dan ’t leve zelve.

O, zing dan, zing dan zonder reden!
Dat wat in mij gevoel is, denkt.
Stort uit over mijn hart het zwevend
En onzeker zingen van uw stem!

O, u te kunnen zijn en toch mijzelf!
Te leven in uw blij niet-weten
En dat te weten! O hemelgewelf!
O velden! O lied! Het weten

Weegt zo zwaar en ’t leven is zo kort!
Dring in mij binnen! Maak mijn ziel
Uw lichte schim! En ga dan voort
En neem mij op, en heen, van hier!

Fernado Pessoa (1914)
vertaling: August Willemsen

Juni-gedicht

Het tuinfeest

De Juni-avond opent een hoog licht
Boven den vijver, maar rondom de helle
Lamp-lichte tafel in het grasveld zwellen
De bomen langzaam hun groen donker dicht.

Wij, aan ’t dessert, eenzelvige rebellen,
Ontveinzen ’t in ons mijmerend gedicht,
Om niet, nu ’t uur eind’lijk naar weemoed zwicht,
Elkanders kort geluk teleur te stellen.

Ginds, aan de overkant, gaan reeds gitaren,
En lampions, en zacht-plassende riemen,
Langzaam over verdronken sterren varen –

Zij zingen, nijgen naar elkaar en kussen,
Geenszins om liefde, maar om de sublieme
Momenten en het sentiment daartusschen.

Martinus Nijhoff

ik noem je: bloemen
ik noem je: merel in de vroegte
ik noem je: mooi

ik noem je: narcissen in de nacht
waaroverheen de wind strijkt
naar mij toe

ik noem je: bloemen in de nacht

Jan Hanlo
Gedichten (1958)

Ik zat tegen een hek

Ik zat tegen een hek en keek naar het landschap voor mij. De roodbonte, herkauwende koeien, het wuivend fluitekruit, de twee morsdode bomen, samen alleen in het weiland, de bomenrijen die dat alles begrenzen, en daarboven de gestaag voortglijdende wolken en de eeuwig brandende zon. Vergankelijkheid, nostalgie, verlangen, vreedzaamheid, rust, sterfelijkheid. Het tijdloze landschap leidt haast onontkoombaar tot metaforische mijmeringen.

Kijk bijvoorbeeld eens naar die twee bomen. Hun kale takken tekenen zich scherp af tegen de lucht, grillig, doods. Waar eens het frisse groen ruiste in de wind, jammert de wind nu om het levenloze hout. En wat is dat voor vogel, daar op die hoge tak, waarop wacht het beest?

Of kijk eens goed naar het gras. Het golft onder de strelingen van de wind en glanst zo vreedzaam in het zonlicht. Zacht is het en koel, en het ruikt naar het zich vernieuwende leven. Zou het niet heerlijk zijn zo’n koe te zijn, en gedachteloos in het gras in de zon te kunnen liggen, met een rustende man als meest enerverende gebeurtenis van de dag?

En toen probeerde ik niet te denken, alleen te zien. En dacht toch, aan het gedicht dat Fernando Pessoa op 11 maart 1914 schreef:

(fragment)

Ja, zelfs mij, die alleen van leven leeft,
Bezoeken, onzichtbaar, de leugens der mensen
Met betrekking tot de dingen,
Met betrekking tot de dingen die eenvoudig bestaan.

Hoe moeilijk is het jezelf te zijn en slechts het zichtbare te zien!

XXIV

Wat wij zien van de dingen zijn de dingen.
Waarom zouden wij het xc3xa9xc3xa9n zien als er iets anders was?
Waarom zouden zien en horen ons vergissen zijn
Als zien en horen zien en horen zijn?

Essentieel is kunnen zien,
Kunnen zien zonder te denken,
Kunnen zien wanneer men ziet,
En niet denken wanneer men ziet
Noch zien wanneer men denkt.

Maar dat (wee ons, met onze aangeklede zielen!),
Dat vereist diepgaande studie,
Eist een leerschool in verlering
En opsluiting in de vrijheid van dat klooster
Waarvan dichters zeggen dat de sterren de eeuwige nonnen zijn
En de bloemen de overtuigde boetelingen van xc3xa9xc3xa9n dag,
Maar waar uiteindelijk de sterren niets dan sterren zijn
En de bloemen niets dan bloemen,
Reden waarom wij ze sterren en bloemen noemen.

Alberto Caeiro

Toegift

Epicurus

Zijn wij er, Dood is er niet.
Is Dood er, ontbreekt het aan ons.

(Vrij naar Epicurus)

Dood, om maar iemand te noemen,
hoeft ons geen angst aan te jagen:
zijn wij er, hij kan er niet zijn dan,
is hij er, ontbreekt het aan ons.
We sluiten elkaar prachtig uit.

Dit is, E. te A., slim bedacht
en het helpt – tot op heden – nog ook
om de angst voor het eigen weg moeten
in eigen hoofd te houden.
Er is dus al heel wat gewonnen.

Maar ook liefsten zijn sterveling;
niet zelden neemt Dood hun plaats in.
Heb je daar ook al wat op gevonden,
hoe ik dat geen ramp hoef te vinden?

Want je weet, doodgaan is pas echt erg
voor wie juist met z’n driexc3xabn nog was:
Dood, Wie-er-mee-moet en Blijver.

Voor Dood is het maar zichzelf.
Voor Wie-mee-moet is het maar doodgaan.
Maar Blijver is lang heel erg leeg.

Anton Korteweg